Is kunst enkel therapie?

Alain de Botton. Foto Vincent MentzelJe moet even langs de drommen toeristen die elkaar fotograferen bij de grote I Amsterdam letters, maar dan sta je voor het imposante Rijksmuseum. Het museum dat een grote verzameling kunst uit de Nederlandse geschiedenis herbergt, die je straks kan gaan bekijken. Maar eerst moet je nog het statige lange stuk naar de ingang lopen, om vervolgens in het enorme atrium te komen. Filosoof Alain de Botton stelt terecht dat een museumbezoek niet begint wanneer je de tentoonstellingszalen betreedt: het begint al bij de aanblik van het gebouw. Daar begint de anticipatie op wat er gezien gaat worden. Alain de Botton is het ook, die samen met filosoof John Armstrong in dit mooie museum de tentoonstelling heeft gemaakt getiteld: ‘Art is Therapy’.

Er is geen speciale tentoonstellingszaal ingericht door De Botton en Armstrong: het hele museum is nog precies zoals het was. Eenvoudig gezegd bestaat de tentoonstelling uit grote gele post-its die extra bij de kunstwerken zijn geplakt, elk met een alternatieve manier waarop je naar het kunstwerk kan kijken. De Botton vindt het belangrijk dat mensen zich kunnen identificeren met kunst, en zodoende staan er op de post-its teksten die onderwerpen aankaarten waar wij allemaal in de huidige tijd mee te maken hebben, onder het motto: kunst is therapie. Nu religie ons, geseculariseerde Nederlanders, niet meer helpt met de grote vragen van het leven, is het volgens De Botton aan de kunst om ons te helpen met onze problemen, onzekerheden en imperfecties. Het is een logische gedachte: kunst gaat veelal over het leven. De Botton maakt de terugkoppeling naar de bezoeker door de werken, en de bijbehorende levensvragen, naar onze tijd te vertalen. De vraag is: maakt De Botton hiermee de stap die kunst dichterbij de mensen brengt? Voegt deze aanpak iets toe aan de toegankelijkheid van kunst voor het brede publiek?

Kunst is Therapie

Redelijk aan het begin van de tentoonstelling kom je in een klein, verduisterd zaaltje met oude daguerreotypen, een fototechniek die al sinds 1839 werd gebruikt. In kijkdoosjes die moeten zorgen dat de foto’s niet teveel licht krijgen zijn foto’s te zien van mensen die wij nu niet meer kennen. Het zijn mooie portretten, de mensen zijn veelal in vol ornaat afgebeeld omdat fotografie toen nog iets bijzonders was. Alain de Botton vindt dit “een van de treurigste zalen van het museum”, omdat de mensen die te zien zijn nu allemaal dood zijn. Bij een foto van een jonge vrouw stelt hij zich voor hoe je haar zo uit de foto zou kunnen halen, om haar mee te nemen naar de H&M. Ze zou er leuk uitzien met haar haren los en in moderne kleding, zo mijmert hij. Door zo te fantaseren haalt hij de geschiedenis letterlijk naar onze tijd. Het werkt: hij prikkelt je om na te denken over wat voor persoonlijkheid deze vrouw zou hebben gehad toen ze nog leefde.

Vermeer, Gezicht op huizen in Delft (ca. 1658)

VermeerGezicht op huizen in Delft (ca. 1658)

Op die manier beschrijft De Botton de kunstwerken: hij trekt ze naar onze tijd, door een thema eruit te pakken dat ons nu nog steeds aanspreekt. Bij het beroemde straatje van Vermeer, Gezicht op huizen in Delft (ca. 1658), schrijft hij dat de beroemdheid van het kunstwerk eigenlijk in de weg zit. Het toont namelijk het tegenovergestelde: een eenvoudig tafereeltje met mensen die zeer alledaagse werkzaamheden verrichten. Er zit totaal geen ‘glamour’ in dit werk, maar ondanks dat is het werk uiterst charmant. Wanneer wij verlangen naar roem of status, zo pleit De Botton, dan moeten we even kijken naar Het Straatje van Vermeer, om ons te herinneren dat er ook glamour zit in de alledaagse dingen.

Aanbeland in de fin-de-siècle lopen we langs een heel ander werk: Zomerweelde van Jacobus van Looy (ca. 1900). Het is een enorm doek dat voor tweederde gevuld is met een veldje weelderige blauwe bloemen. Erachter zien we een paar huizen en bomen in een warme avondgloed. Alain de Botton noemt het een “schaamteloos lief schilderij”. In een lezing in The Institute of Education (27-10-2013) geeft De Botton aan dat veel kunstkenners vinden dat kunst niet ‘mooi’ mag zijn: het zou de serieuze zaken in de wereld ontkennen. Ook hier uit hij deze angst voor schoonheid. Zelf is hij het er niet mee eens: we hebben schoonheid nodig om “onze levenslust aan te wakkeren”, en om ons ervan te weerhouden dat we in een depressie wegzinken. Dit schilderij, met de prachtige blauwe bloemen doet ons voor een moment alle nare dingen in de wereld vergeten.

Jacobus van Looy, Zomerweelde, 1910

Jacobus van Looy, Zomerweelde, 1910

Op deze manier zijn er vele kunstwerken voorzien van teksten van De Botton. Volgens hem heeft kunst vele therapeutische werkingen: het kan je bijvoorbeeld helpen bij gevoelens van eenzaamheid door dit gevoel te erkennen, het biedt schoonheid als tegenhanger van het slechte in de wereld, of het kan ons een duwtje geven om goede dingen te doen in het leven. De grote kracht van De Botton is hierbij dat hij haast als een dominee mensen meeneemt in zijn verhaal. Wat ook erg sterk is, is dat hij het hele museum van teksten heeft voorzien, inclusief de museumwinkel en het café. Bij de museumwinkel staat bijvoorbeeld: “Je zou kunnen denken dat dit de belangrijkste plek in het museum is. Dit is de poort waardoor je terug naar je dagelijkse leven gaat.” Door deze teksten benadrukt De Botton dat het hele museum een totaalervaring is. Dat is goed geobserveerd en consequent uitgevoerd.

Gesloten deur

Het probleem met de tentoonstelling is dit: door zijn charismatische verteltechniek zou je bijna vergeten dat het helemaal niet waar is dat kunstkenners iets tegen schoonheid hebben. Integendeel: kunst heeft volgens zowel critici en cultuurwetenschappers verscheidene mogelijke kwaliteiten, waar esthetiek er één van is. Het lijkt een detail, maar het geeft aan dat voor De Botton retoriek belangrijker is dan juistheid. Dan is het dus tijd om goed op te letten, en valt het op dat hij dit vaker doet. Is het bijvoorbeeld wel zo dat Adriaen Coorte (ca. 1700) aardbeien schilderde opdat wij met een nieuwe blik naar onze geliefden zullen kijken? Was het voor hem niet gewoon een stilleven? Doordat er weinig over deze kunstenaar bekend is kunnen we er alleen maar naar raden. Natuurlijk mag De Botton het werk gebruiken als voorbeeld van hoe je met een onbevangen blik naar iets vertrouwds kan kijken. Maar door te zeggen: “De kunstenaar weet dit over ons: gewenning stompt onze waardering voor het gebodene af” legt hij de kunstenaar woorden in de mond.

Een bakje aardbeien op een stenen plint, Adriaen Coorte, ca. 1696

Een bakje aardbeien op een stenen plint, Adriaen Coorte, ca. 1696

Verder valt het op dat De Botton kunstwerken heeft geselecteerd waar hij wat mee kon. Lang niet bij alle kunstwerken zijn post-its te zien, en met een museum als het Rijksmuseum is dat natuurlijk ook ondoenlijk. Maar een werk als dat van Willem Bartel van der Kooi, waarin een mooi moment tussen twee broertjes en een zus is vastgelegd, is natuurlijk makkelijker naar onze tijd te trekken dan de abstracte ontwerpen voor gebrandschilderd glas van Theo van Doesburg. Ik ben erg benieuwd hoe De Botton en Armstrong dat in een therapeutisch jasje zouden steken, want vaak gaan ze voor werken waar al overduidelijk een deugd uit spreekt. Hoe consistent is hun methode? Is alle kunst therapie, of moet de titel van de tentoonstelling eigenlijk zijn: ‘Some art is Therapy’? Zo ja: is de rest van de kunst dan niet meer belangrijk? Hierover geven ze geen duidelijkheid.

Het gestoorde pianospel, Willem Bartel van der Kooi, 1813

Het gestoorde pianospel, Willem Bartel van der Kooi, 1813

Het kwalijkst is echter dat De Botton, hoe goed bedoeld ook, de deur naar de kunst juist dicht lijkt te gooien. Hij opent dan wel een deur naar de bezoekers door deze persoonlijke manier van benaderen te introduceren, en hij zegt ook dat zijn visie naast de kunsthistorische en inhoudelijke blik kan bestaan. Maar hij gebruikt bijzonder vaak zinnen zoals bij Het gestoorde pianospel (1813), het eerdergenoemde werk van Van der Kooi: “Probeer je niet druk te maken over wie dit geschilderd heeft en wanneer.” Bij De Dans om Het Gouden Kalf van Lucas van Leyden (ca. 1530) geeft hij aan dat het helemaal niet erg is als je het werk niet interessant vindt, en als je met je gedachten afdwaalt naar koffie en appeltaart in het museumcafé. En wellicht dwaalde je wel net met je gedachten af naar het museumcafé, en voel je je door deze tekst gerustgesteld: je hoeft je daar dus niet schuldig om te voelen. Maar hiermee zorgt De Botton ook dat je niet meer goed kijkt naar het werk. Wanneer hij dit anders had geformuleerd, en de aandacht terug had gebracht op het kunstwerk, dan zagen we de vele dansende, feestende, etende en vrijende mensen, die een gouden kalf vereren. Het is een Bijbels verhaal: God heeft net met Mozes het Joodse volk helpen vluchten uit Egypte. Mozes gaat even weg voor een onderonsje met God, en hij is nog niet weg of de mensen smelten hun sieraden om tot een kalf, om Baal, een andere god, te vereren. God is natuurlijk boos: het is stank voor dank. Een straf volgt. Hier op dit kunstwerk zien we de mensen het kalf vereren en feesten en genieten. De donkere wolken naderen, een onheilspellend voorteken voor de straf die volgt. Dat verhaal had De Botton best kunnen vertellen: het ‘stank voor dank’ thema is voor iedereen herkenbaar.

De dans om het gouden kalf, Lucas van Leyden, ca. 1530

De dans om het gouden kalf, Lucas van Leyden, ca. 1530

Zo zijn er vele voorbeelden van teksten die een daadwerkelijke interesse in de kunstwerken ontmoedigen. Met een post-it bij een werk van Bart van der Leck: “De kunstenaar heeft lang en hard nagedacht over de juiste plaats voor het gele vierkant. Wij ook.” raakt De Botton met een grapje aan wat het werk van Van der Leck zo goed maakt: de compositie die precies in balans is, en geen vlakje te veel of te weinig bevat. Het is een uiting van Van der Leck’s ideaalbeeld van een harmonieuze, sociale samenleving. Maar door erover te grappen gaat de kans om dit kunstwerk op waarde te schatten aan de neus van de bezoeker voorbij. Door dit soort dingen herhaaldelijk, door het hele museum te doen stelt hij degene die de kunstwerken bekijkt misschien op zijn of haar gemak, maar geeft hij de kans dat deze persoon het werk wél interessant kan gaan vinden bij voorbaat al op. Hiermee doet hij geen recht aan het kunstwerk, maar ook zeker niet aan de bezoeker: het is kleinerend om te denken dat bezoekers de kunstwerken niet zullen snappen.

Alain de Botton. Foto Vincent Mentzel

Alain de Botton. Foto Vincent Mentzel

Conclusie

Het is duidelijk dat Alain de Botton en John Armstrong dit niet bewust doen. Ze zijn geïnteresseerd in de therapeutische werking die kunst kan hebben op mensen, en willen dit presenteren naast de bestaande kwaliteiten van kunst. Maar het lijkt of ze te weinig kennis hebben van deze kwaliteiten: het verhalende, het historische, het spirituele, het maffe maar briljante, het idealistische, sombere, moralistische of meeslepende aspect dat kunst kan hebben. Door dat gebrek aan kennis walsen ze onbedoeld maar genadeloos over al deze kwaliteiten van kunst heen.

De vraag of De Botton met zijn methode de kunst dichter bij de mensen brengt, heeft hiermee een tweeledig antwoord. Enerzijds doet hij de bezoeker op persoonlijk vlak een mooie handreiking, door de kunst een antwoord te laten geven op de dagelijkse beslommeringen. Dit is een waardevolle visie die zeker iets moois aan de maatschappij kan toevoegen. Anderzijds gooit het een deur dicht naar de kunstwerken zelf. Kunst wordt hiermee niet toegankelijker voor het brede publiek, omdat de bezoeker wordt aangemoedigd om de inhoud van een kunstwerk maar te laten voor wat het is. Het is een stap in de verkeerde richting.

Een oplossing is eenvoudig te vinden, allereerst door de visie van De Botton en Armstrong bij te schaven. Wanneer ze zinnen uit hun teksten weghalen als: “het idee dat kunst ook luchtig en schattig kan zijn, staat opgeleide mensen tegenwoordig een beetje tegen”, of: “Probeer je niet druk te maken over wie dit geschilderd heeft en wanneer”, dan zijn ze al een heel eind op weg. De denigrerende houding ten opzichte van de kunstwerken, kunstenaars en het publiek is dan al tot het minimum teruggebracht. Helemaal mooi zou het zijn wanneer ze samen met iemand met kennis over kunst het inhoudelijke aspect aan hun visie zouden toevoegen. Op die manier komen de kunstwerken beter tot hun recht en voelen de bezoekers zich veel meer op waarde geschat.

Is kunst enkel therapie? 

Geschreven door Grietje Hoogland

Art is Therapy – Alain de Botton en John Armstrong

Tentoonstelling Rijksmuseum (25 april 2014 t/m 7 september 2014)

 

Online Galerij
gastauteur@onlinegalerij.nl